Saltar al contenido

SEPE: Curso – beca superior holandés nivel básico

Holandes basico

La prestigiosa institución madrileña, Servicio Público de Empleo Estatal, (SEPE), te abre las puertas para que adquieras conocimientos en el área holandés nivel básico, con los cursos – becas que dicta el SEPE, lo mejor: GRATIS.

La adquisición de conocimientos de holandés nivel básico, tiene una duración de 180 horas, con una modalidad subvencionada y a distancia, en la formación académica lograrás mejorar personal y profesionalmente.

REQUISITOS PARA ESTUDIARLO

No existen requerimientos limitativos
La metodología de la formación es compatible con el trabajo.

OBJETIVOS DEL CURSO SUPERIOR SEPE HOLANDÉS NIVEL BÁSICO (NIVEL OFICIAL CONSEJO EUROPEO A1-A2):
– Interactuar de forma fluida utilizando vocabulario y gramática básica.
– Pedir y dar información cuando la situación lo requiera.
– Permitir al alumno componer textos orales simples.
– Escribir textos bien estructurados en una gama amplia de situaciones: trabajo, escolar, ocio, etc.
– Adquirir aspectos clave a la hora de comunicarse con los demás.
– Comprender las ideas principales de los textos.
– Comprender y utilizar las expresiones más frecuentes que se utilizan en el día a día.
– Saber presentarse a sí mismo y a los demás.
– Adquirir capacidades de lectura, escritura, comprensión y comunicación.
– Mejorar la gramática, vocabulario y habilidades de comunicación.
– Desarrollar destrezas lingüísticas para desenvolverse en contextos sociales y profesionales.
– Interpretar situaciones sobre registros textuales y del habla.

CONTENIDOS DEL CURSO – BECA SUPERIOR SEPE HOLANDÉS NIVEL BÁSICO (NIVEL OFICIAL CONSEJO EUROPEO A1-A2):
MÓDULO 1. LECCIONES DEL CURSO.
TEMA 1. MI FAMILIA.
TEMA 2. DESCRIBIRSE.
TEMA 3. CONTAR Y JUGAR.
TEMA 4. DÍAS Y MESES.
TEMA 5. COSAS Y ANIMALES.
TEMA 6. JOVEN, VIEJO, CALIENTE, FRÍO.
TEMA 7. EN HOLANDA.
TEMA 8. FIESTA DE BIENVENIDA.
TEMA 9. EN AMSTERDAM.
TEMA 10. LA RUTA..
TEMA 11. DESAYUNO.
TEMA 12. CAFÉ O TÉ.
MÓDULO 2. CONTENIDOS TEÓRICOS.
Het werkwoord ‘zijn’
Het werkwoord ‘hebben’
De directe vraagzin
Het bijvoeglijk naamwoord (gebruik en plaats)
De verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord
De gebiedende wijs
Het onbepaald lidwoord
Zelfstandige naamwoorden
Het modale hulpwerkwoord ‘kunnen’
Het bepaald lidwoord
Hoofd- en rangtelwoorden
De ontkenning
Bezittelijke voornaamwoorden
Bijvoeglijk gebruik van bezittelijke voornaamwoorden
Vragende bijwoorden
Tijd en data
De stellende trap bij een vergelijking
De vergrotende trap bij een vergelijking
Meervoudsvorming
De spellingherziening
Voorzetsels van plaats
Het werkwoord ‘houden van’
De constructie met ‘van’
Verzelfstandiging van bijvoeglijke naamwoorden
Het gebruik van hoofdletters
De onvoltooid tegenwoordige tijd
De voltooid tegenwoordige tijd
Vragende voornaamwoorden
Bijvoeglijk gebruik van vragende voornaamwoorden
Wederkerige werkwoorden
De persoonlijke voornaamwoorden
De overtreffende trap bij een vergelijking
Leeftijd
Het gebruik van ‘hen’ en ‘hun’
Wederkerende werkwoorden
Meervoudsvorming (onregelmatig)
Aanwijzende voornaamwoorden
Bijvoeglijk gebruik van aanwijzende voornaamwoorden
Het modale hulpwerkwoord ‘zullen’
De vorming van het voltooid deelwoord
De voltooid verleden tijd
Het gebruik van naamvallen
Het modale hulpwerkwoord ‘willen’
Het modale hulpwerkwoord ‘mogen’
Het modale hulpwerkwoord ‘moeten’
Nevenschikkende voegwoorden
De onbepaalde wijs
Samengestelde bijvoeglijke naamwoorden
Zwakke werkwoorden
Sterke werkwoorden
Onregelmatige werkwoorden
Werkwoorden met een onscheidbaar partikel
Werkwoorden met een scheidbaar partikel
Het verbindingsstreepje
Woordvolgorde in een hoofdzin
Woordvolgorde in een bijzin
Het gebruik van ‘zo’n’ en ‘zulk’
Het gebruik van de apostrof
Tussenwerpsels
Samentrekkingen
Werkwoorden met een vast voorzetsel
Betrekkelijke voornaamwoorden
Uitheemse woorden
De aanvoegende wijs
De lijdende zinsvorm
De tussenletter n
Voorzetseluitdrukkingen
De bijwoorden ‘al’, ‘nog’ en ‘pas’
Het werkwoord ‘laten’
Het gebruik van de komma
Het gebruik van ‘er’
Voornaamwoordelijke bijwoorden
Het werkwoord ‘worden’
De onvoltooid verleden tijd
De vervoeging van ‘hebben’ en ‘zijn’ (o.v.t.)
Het werkwoord ‘doen’
Gebruik van het trema
Het beklemtonen van klinkers
Onderschikkende voegwoorden
Onpersoonlijke werkwoorden
Onbepaalde voornaamwoorden
Bijvoeglijk gebruik van onbepaalde voornaamwoorden
Achterzetsels
De onvoltooid verleden toekomende tijd
De voltooid verleden toekomende tijd
Het gebruik van ‘te’
Onbepaalde hoofdtelwoorden
Geld
Verkleinwoorden
Het tegenwoordig deelwoord
Duratieve constructies
De toekomende tijd met ‘gaan’
De tussenletter s
Verkleinwoorden (gebruik)
De werkwoorden ‘liggen’, ‘staan’ en ‘zitten’
De buigings-s

MÓDULO 3. CONTENIDOS PRÁCTICOS. ACTIVIDADES PARA LA PRÁCTICA DE LOS CONOCIMIENTOS.
TEMA 1. DIÁLOGO.
TEMA 2. PRONUNCIACIÓN/FONÉTICA.
Pronunciación de frases.
Pronunciación de palabras.
Ejercicio de fonética.
TEMA 3. VÍDEO Y CUESTIONARIO.
TEMA 4. EJERCICIOS.
TEMA 5. EVALUACIÓN DEL APRENDIZAJE.
TEMA 6. EXPLICACIONES GRAMATICALES.
TEMA 7. HERRAMIENTA DE CONJUGACIÓN.
TEMA 8. LÉXICO.
TEMA 9. FICHAS CULTURALES.

El SEPE, siempre está pensando en ti.
El SEPE, ofrece cursos a distancia para que aumentes tu nivel de profesionalidad.

cursosepe2018.com ©2020. Todos los derechos reservados Aviso Legal Politica de Cookies Politica de Privacidad Contacto